ECLI:NL:RVS:2019:4236
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit kinderopvangtoeslag wegens ondeugdelijke motivering en nieuwe beoordeling vereist
De zaak betreft een hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van kinderopvangtoeslag 2012 door de Belastingdienst/Toeslagen ongegrond verklaarde.
De Belastingdienst had het recht op toeslag vastgesteld op basis van 73 opvanguren per maand, terwijl [appellante] had aangevraagd op basis van 198 uren. Zij voerde aan dat zij in 2012 een opleiding volgde en recht had op meer uren. De dienst wijzigde haar standpunt in bezwaar en stelde dat niet was aangetoond dat alle kosten waren voldaan, maar kon het besluit niet nadelig herzien.
De rechtbank oordeelde dat de dienst binnen haar heroverwegingsbevoegdheid bleef en dat [appellante] niet aannemelijk had gemaakt dat zij alle kosten had betaald, met name vanwege een ontbrekend betalingsbewijs voor januari 2012.
De Raad van State stelt dat de Belastingdienst in bezwaar een ander standpunt mag innemen en dat het beroep op rechtszekerheid en verbod op willekeur niet slaagt. Wel oordeelt de Afdeling dat het besluit van 8 mei 2018 ondeugdelijk is gemotiveerd omdat de dienst onvoldoende rekening hield met gewijzigde rechtspraak die ruimte laat voor een gedeeltelijk recht op toeslag bij gedeeltelijke betaling van kosten.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt de Belastingdienst binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij zij de belangen zorgvuldig moet afwegen. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en uitspraak worden vernietigd, en de Belastingdienst krijgt 18 weken voor een nieuw besluit.