ECLI:NL:RVS:2019:4268
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG). De aanvraag werd afgewezen omdat onvoldoende objectieve aanwijzingen waren dat zij slachtoffer was van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De appellant stelde dat zij slachtoffer was van uithuwelijking vanuit Nederland, wat geweldsmisdrijf opleverde, maar deed geen aangifte en leverde vooral verklaringen en medische stukken die volledig op haar eigen verklaringen waren gebaseerd.
De rechtbank had geoordeeld dat de CSG de aanvraag in redelijkheid kon afwijzen vanwege het ontbreken van objectieve bewijsstukken en het feit dat de vermeende misdrijven deels in het buitenland zouden hebben plaatsgevonden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat medische informatie slechts in beperkte mate kan bijdragen aan de aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf en dat het aan de appellant is om met objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
De Raad van State oordeelt dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde stukken onvoldoende objectief bewijs bevatten en dat de aanvraag daarom terecht is afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd.