ECLI:NL:RVS:2019:4418
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectief bewijs huiselijk geweld
De zaak betreft het hoger beroep van een vrouw die een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) heeft aangevraagd wegens vermeend huiselijk geweld in de periode 1987-1991. De CSG wees de aanvraag af omdat er geen aangifte was gedaan en onvoldoende objectieve informatie werd geleverd ter ondersteuning van het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van familieleden niet als objectief konden worden beschouwd omdat zij niet onpartijdig waren en pas ruim 27 jaar na het vermeende geweld waren opgesteld. Ook ontbraken eigen waarnemingen van het geweld. De enkele verklaring van de aanvrager volstond niet om het geweld aannemelijk te maken.
In hoger beroep betoogde de aanvrager dat er voldoende bewijs was om in een strafzaak tot veroordeling te komen, en dat de CSG daarom tot uitkering moest overgaan. De Raad van State verwierp dit, stellende dat zonder aangifte en strafprocedure het geweld alleen in uitzonderlijke gevallen op andere wijze aannemelijk kan worden gemaakt met objectieve aanwijzingen.
De Raad van State bevestigde dat de CSG de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat de aanvrager niet voldeed aan de bewijsvereisten uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven. Er waren geen objectieve en onpartijdige stukken die het vermeende geweld aannemelijk maakten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven bevestigd.