ECLI:NL:RVS:2019:4433
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over vaststelling gecorrigeerde vervangingswaarde bedrijfsgebouwen na bedrijfsverplaatsing
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van zijn bedrijfsgebouwen na verplaatsing van zijn intensieve veehouderij.
Het college had de vervangingswaarde vastgesteld op basis van een referentiejaar 2015, terwijl de rechtbank dit had gecorrigeerd naar 2014 door 26 maanden vertraging toe te rekenen aan het college wegens onrechtmatige besluitvorming. Appellant stelde dat een eerder referentiejaar, zoals 2010 of 2012, had moeten gelden en dat de rechtbank ten onrechte verdere vertraging niet aan het college toerekende.
De Afdeling overwoog dat de feitelijke verplaatsing in september 2016 plaatsvond en dat het referentiejaar in beginsel 2016 is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat alleen de vertraging van 26 maanden door het college moet worden toegerekend, niet de verdere vertragingen die aan andere instanties of aan appellant zelf kunnen worden toegerekend. De stelling dat het staken van bedrijfsactiviteiten in 2012 tot een ander oordeel zou moeten leiden, werd verworpen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.