ECLI:NL:RVS:2019:4441
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- A. ten Veen
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhaving gebruik en verharding agrarisch perceel te Ottersum
Het college van burgemeester en wethouders van Gennep legde op 2 april 2015 lasten onder dwangsom op aan appellant sub 2 vanwege het gebruik en de verharding van een perceel te Ottersum. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Limburg, waarin het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, stelde het college op 24 april 2019 het bezwaar van partij opnieuw ongegrond.
Partij stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij het geschil onder meer ging over de rechtmatigheid van de verharding ten noordoosten van de machineberging, het gebruik van die gronden voor agrarisch verkeer, de kap van bomen, aantasting van houtwallen en egalisatie van de grond. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de verharding in strijd is met het bestemmingsplan omdat hiervoor geen aanlegvergunning is verleend, maar dat het gebruik van de verharding voor agrarisch verkeer niet in strijd is met het bestemmingsplan en dus niet handhavend kan worden opgetreden.
Verder oordeelde de Afdeling dat het college ten onrechte stelde dat het handhavingsverzoek over kap van bomen en aantasting houtwallen een herhaling was van een eerder verzoek, omdat het verzoek betrekking had op andere bomen en houtwallen. Ook werd geoordeeld dat het college onvoldoende had onderzocht of de grond was geëgaliseerd en betonplaten waren aangebracht, wat in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.
Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 werden gegrond verklaard voor zover de rechtbank het college bevoegd achtte handhavend op te treden tegen het gebruik voor agrarisch verkeer. Het beroep van partij tegen het besluit van 24 april 2019 werd eveneens gegrond verklaard en het besluit vernietigd, behoudens voor zover het handhavingsverzoek ten aanzien van het gebruik voor agrarisch verkeer werd afgewezen. Het college werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met de mogelijkheid van beroep alleen bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep zijn gegrond voor het gebruik van de verharding voor agrarisch verkeer, het beroep van partij tegen het besluit van 24 april 2019 is gegrond en het besluit wordt vernietigd, behoudens voor het gebruik voor agrarisch verkeer.