ECLI:NL:RVS:2019:470
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring en erkenning verblijfskaart familielid EU-burger
De vreemdeling, houder van de Surinaamse nationaliteit en echtgenoot van een Nederlandse, werd in 1998 ongewenst verklaard. Hij woont in België met een verblijfskaart als familielid van een EU-burger, geldig tot november 2018. De staatssecretaris wees zijn verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring af, wat door de vreemdeling werd aangevochten.
De rechtbank stelde dat de vreemdeling geen rechten kon ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk en reëel in België verbleef met zijn echtgenote. De vreemdeling stelde dat hij gebruik wilde maken van zijn recht op vrij verkeer en dat de verblijfskaart erkend moest worden zonder bewijs van samenwoning.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de staatssecretaris niet hoefde uit te gaan van het verblijfsrecht. Op grond van het arrest McCarthy moet de verblijfskaart worden erkend tenzij er concrete aanwijzingen zijn van rechtsmisbruik of fraude, die hier ontbraken. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de opheffing van de ongewenstverklaring wordt vernietigd.