ECLI:NL:RVS:2019:563
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluiten van 30 april 2018 de aanvragen van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 18 september 2018 de beroepen gegrond verklaarde, de besluiten vernietigde en de staatssecretaris opdroeg nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat het hogerberoepschrift geen gronden bevat die tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank kunnen leiden. Tevens werd overwogen dat de aangevoerde punten geen vragen oproepen die in het belang zijn van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, vastgesteld op €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 februari 2019, in aanwezigheid van griffier J.J. Schuurman.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.