ECLI:NL:RVS:2019:591
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende aannemelijkheid opzettelijk geweldsmisdrijf
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven naar aanleiding van een beschieting op 24 november 2013, waarbij hij lichamelijk en psychisch letsel zou hebben opgelopen.
De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat niet voldoende objectieve informatie beschikbaar was die de opzettelijkheid van het geweldsmisdrijf kon bevestigen. Appellant deed geen aangifte en werkte niet mee aan het strafrechtelijk onderzoek, dat leidde tot vrijspraak van de verdachte.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij slachtoffer was van een opzettelijk geweldsmisdrijf, maar de Raad van State oordeelde dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het onderzoek bleek bovendien dat appellant mogelijk zelf een rol had in het incident, wat de beoordeling bemoeilijkte.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom het eerdere oordeel en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd.