ECLI:NL:RVS:2019:71

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2019
Publicatiedatum
15 januari 2019
Zaaknummer
201803067/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:19 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 26 mei 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 2 februari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond en vernietigde het besluit op 16 maart 2018.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling verviel daardoor.

Daarnaast werd een nieuw besluit van de staatssecretaris van 9 november 2018, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, geacht onderdeel te zijn van het geding. De Afdeling besloot dit nieuwe besluit terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag voor behandeling en beslissing. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en werd griffierecht geheven.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201803067/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2018 in zaak nr. 18/1066 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 2 februari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 november 2018 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 26 mei 2016 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. Het door de vreemdeling ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
3.    Het besluit van 9 november 2018 wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het beroep tegen dat nieuwe besluit krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven;
IV.    verwijst het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 9 november 2018, V-nummer […], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag.
Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Hent    w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2019
282-899.