ECLI:NL:RVS:2019:71
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 26 mei 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 2 februari 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond en vernietigde het besluit op 16 maart 2018.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling verviel daardoor.
Daarnaast werd een nieuw besluit van de staatssecretaris van 9 november 2018, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, geacht onderdeel te zijn van het geding. De Afdeling besloot dit nieuwe besluit terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag voor behandeling en beslissing. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en werd griffierecht geheven.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt terugverwezen naar de rechtbank.