ECLI:NL:RVS:2019:847
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdige beslissing staatssecretaris in asielzaak
In deze zaak heeft de rechtbank op 21 maart 2017 het beroep van de vreemdeling tegen het niet-tijdig beslissen door de staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en de rechtsvraag omtrent de aanvang van de beslistermijn beantwoord aan de hand van een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Afdeling oordeelde dat Nederland vanaf 25 mei 2016 verantwoordelijk werd voor de behandeling van het asielverzoek, omdat de aangezochte lidstaat niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. Gezien de verlenging van de beslistermijn met negen maanden door de inwerkingtreding van WBV 2016/3, moest de staatssecretaris uiterlijk op 26 augustus 2017 beslissen. De staatssecretaris heeft echter al op 29 mei 2017 een besluit genomen, waardoor de beslistermijn niet is overschreden.
De overige aangevoerde gronden konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.