ECLI:NL:RVS:2019:85
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op informatieverzoek kentekenschorsing
Appellant heeft verzocht om informatie over een signalering van zijn geschorste kenteken en stelde de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en ongegrond, omdat het verzoek als een Wob-verzoek werd aangemerkt en de dwangsomregeling niet van toepassing was.
In hoger beroep betoogt appellant dat het verzoek geen Wob-verzoek was maar een verzoek in het kader van zijn bezwaar tegen de beëindiging van de kentekenschorsing. De Afdeling stelt vast dat het verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 7:4, vierde lid, Awb, dat de RDW had moeten behandelen in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2016.
Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd was om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen en dat het beroep van rechtswege tegen de reactie van de staatssecretaris niet is ontstaan. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de rechtbank onbevoegd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank wordt onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen; het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.