ECLI:NL:RVS:2020:11
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf aan vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 19 januari 2017 de aanvragen van zes vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, die op 3 en 5 oktober 2018 opnieuw ongegrond werden verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag op 20 augustus 2019 de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, mede gelet op een eerdere uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het vonnis is uitgesproken door een enkelvoudige kamer op 6 januari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.