ECLI:NL:RVS:2020:1220
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor bijgebouw in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze verleende op 29 maart 2017 een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een bestaand bijgebouw op het perceel van de vergunninghouder. Appellant, wonende op een aangrenzend perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunningverlening omdat het totale oppervlak van bijgebouwen op de aangrenzende percelen volgens hem de maximale toegestane oppervlakte volgens het bestemmingsplan overschrijdt.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van 24 april 2018 waarin het college het bezwaar ongegrond had verklaard. Het college stelde vervolgens het besluit van 26 maart 2019 vast waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, maar zonder de eerdere onjuistheden te corrigeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college ten onrechte niet alle bijgebouwen op de omliggende percelen heeft meegeteld bij de beoordeling van de maximale oppervlakte volgens artikel 6.2.2 van het bestemmingsplan. Het college heeft daardoor niet beoordeeld of het alsnog een omgevingsvergunning had kunnen verlenen. Daarnaast is het beroep van appellant over de strijd met de redelijke eisen van welstand ongegrond verklaard, omdat het advies van de welstandscommissie positief was.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het besluit van 26 maart 2019 gegrond en vernietigt dit besluit. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van 26 maart 2019 wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.