ECLI:NL:RVS:2020:1261
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding rechtsbijstand bij niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens veilig derde land
In deze zaak heeft de raad voor rechtsbijstand een vergoeding vastgesteld voor werkzaamheden die een advocaat heeft verricht in een asielprocedure die is geëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring op grond van het veilig derde land. De advocaat had verzocht om de zaak als standaardzaak te declareren, wat een hogere vergoeding zou opleveren, maar de raad wees dit af en kende een forfaitaire vergoeding toe van vier punten.
De rechtbank oordeelde dat de raad terecht handelde conform artikel 5a, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), omdat de asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard en de procedure daarom niet volledig was doorlopen. De advocaat stelde in hoger beroep dat de raad onterecht het vierde lid boven het eerste lid van artikel 5a liet prevaleren zonder nadere motivering en dat de vergoeding onvoldoende was gezien de verrichte werkzaamheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat het vierde lid van artikel 5a een afwijking vormt van het eerste lid en dat het niet nodig is dat dit expliciet wordt gemotiveerd. Het forfaitaire karakter van het vergoedingssysteem betekent dat een advocaat soms meer werk kan verrichten dan waarvoor wordt betaald, maar ook minder. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van vier punten wordt bevestigd.