ECLI:NL:RVS:2020:1331
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over spoedeisende bestuursdwang inzake verkeerd aangeboden afvalstoffen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 16 september 2019 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een doos te verwijderen die naast een ondergrondse restafvalcontainer was aangetroffen. Het college stelde dat appellante de overtreder was omdat haar adres op het adreslabel van de doos stond. Appellante betwistte dit en stelde dat zij de doos nooit had gezien en dat de doos geadresseerd was aan een andere persoon die niet op haar adres woont.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat volgens vaste rechtspraak de persoon aan wie de afvalstoffen kunnen worden herleid als overtreder wordt aangemerkt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Omdat de doos op het adres van appellante was bezorgd en zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet de overtreder was, mocht het college haar als overtreder beschouwen.
Verder stelde appellante dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden tijdens de bezwaarprocedure. De Afdeling oordeelde dat het college onterecht aannam dat appellante had afgezien van het recht om gehoord te worden, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging van het besluit leidde omdat appellante haar standpunt bij de Afdeling wel naar voren kon brengen en daardoor niet was benadeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd het college gelast het betaalde griffierecht van appellante te vergoeden wegens het geconstateerde gebrek in de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard, maar het college moet het griffierecht vergoeden.