ECLI:NL:RVS:2020:1338
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens waardevermindering woning door aanleg A74 en aanpassing A73
De appellant, eigenaar van een woning nabij de A73-Zuid te Venlo, verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding op grond van de Tracéwet wegens waardevermindering van zijn woning door de aanleg van de A74 en aanpassingen aan de A73-Zuid. Het Tracébesluit werd op 16 augustus 2010 bekendgemaakt. De minister wees het verzoek in eerste instantie af, waarna diverse bezwaren en beroepen volgden. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde eerdere besluiten, waarna de minister opnieuw afwezigheid van schade vaststelde op basis van een taxatierapport.
De appellant betwistte de taxatie van Bakker, die een waardevermindering van €5.000,- vaststelde, onder de drempel van 2% van de woningwaarde (€9.000,-). Hij overhandigde een contra-expertise die een hogere schade aangaf. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister het taxatierapport van Bakker in redelijkheid aan het besluit ten grondslag kon leggen en dat het bezwaar ongegrond was.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar was overschreden, waarvoor de minister een vergoeding van €3.000,- aan de appellant moet betalen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen het besluit van 12 maart 2018 werd gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.