ECLI:NL:RVS:2020:1420
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens bedrijfsmatig belang
Appellant vroeg een toevoeging voor rechtsbijstand aan om zich te kunnen verweren in een civielrechtelijke procedure waarin hij werd veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over betalingen aan vier vennootschappen. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag af omdat het rechtsbelang voortkomt uit de uitoefening van een bedrijf, waarvoor in principe geen gesubsidieerde rechtsbijstand wordt verleend.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij een uitzondering op deze regel kon toepassen, zoals bepaald in artikel 12, tweede lid, onder e van de Wet op de rechtsbijstand. Appellant stelde dat hij geen eigen bedrijf had en dat het bedrijf afhankelijk was van het resultaat van de procedure, maar dit werd niet onderbouwd.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het rechtsbelang voortkomt uit bedrijfsmatig handelen, ook al is appellant persoonlijk gedagvaard en niet meer verbonden aan het bedrijf. De uitzonderingen op de afwijzing zijn niet van toepassing omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf meer dan een jaar geleden is beëindigd en het bedrijf niet afhankelijk is van het resultaat van de procedure.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt bevestigd omdat het rechtsbelang voortvloeit uit bedrijfsmatig handelen zonder dat uitzonderingen van toepassing zijn.