Uitspraak
Datum uitspraak: 24 juni 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen financiële sancties opgelegd door de minister van Buitenlandse Zaken, gebaseerd op zijn vermeende betrokkenheid bij de terroristische organisatie LTTE. De sancties omvatten het bevriezen van tegoeden en het verbod op financiële diensten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat de LTTE na haar militaire nederlaag in mei 2009 niet langer als terroristische organisatie kan worden beschouwd voor de toepassing van Resolutie 1373.
De minister had het aanwijzingsbesluit van 8 juni 2010 en het besluit op bezwaar gehandhaafd, maar introk het besluit later in 2017. De Afdeling oordeelt dat appellant ondanks de intrekking belang heeft bij het hoger beroep, onder meer vanwege mogelijke schadevergoeding. Het Hof van Justitie van de EU had in 2017 bevestigd dat het preventieve karakter van de sancties vereist dat er een actueel gevaar voor terroristische activiteiten bestaat.
De Afdeling concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant na de nederlaag van de LTTE betrokken was bij terroristische activiteiten. De strafrechtelijke veroordeling van appellant betrof uitsluitend gedragingen tot april 2010, zonder concrete terroristische activiteiten na mei 2009. Daarom was het aanwijzingsbesluit onrechtmatig en dient het te worden vernietigd. Tevens krijgt appellant proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het aanwijzingsbesluit en het besluit op bezwaar worden vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.