Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2021 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), gelezen in verbinding met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, zoals die bepalingen luidden voor de Wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) op 20 juli 2015. Verder heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
Overwegingen
Human Rights Watch, Funding the‘Final War’, LTTE intimidation and extortion in the Tamil Diaspora, 16 maart 2006; International Crisis Group, The Sri Lankan Diaspora After the LTTE, 23 februari 2010; Jane’s Intelligence Review, Feeding the Tiger, How Sri Lankan Insurgents fund their war; Georgetown, Journal of International affairs, Peter Chalk, The Tigers Abroad, How the LTTE Diaspora supports in Sri Lanka, 2008; en Europol. TE-SAT 2011, EU Terrorism Situation and Trend Report 2011.
“55 In dit verband moet nog worden gepreciseerd dat uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 volgt dat de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dat artikel neergelegde uitzonderingen, verplicht zijn om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.56 Dit betekent dat een lidstaat die wordt geconfronteerd met een onderdaan van een derde land die zich op zijn grondgebied bevindt en niet of niet langer over een geldige verblijfstitel beschikt, overeenkomstig de relevante bepalingen moet bepalen of aan die onderdaan een nieuwe verblijfsvergunning moet worden afgegeven. Indien dat niet het geval is, is de betrokken lidstaat verplicht om ten aanzien van die onderdaan van een derde land een terugkeerbesluit uit te vaardigen dat overeenkomstig artikel 11, lid 1, van richtlijn 2008/115 gepaard kan of moet gaan met een inreisverbod in de zin van artikel 3, punt 6, van deze richtlijn.57 Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou het bijgevolg in strijd zijn met zowel het doel van richtlijn 2008/115, zoals vermeld in artikel 1 ervan Pro, als de bewoordingen van artikel 6 van Pro deze richtlijn om het bestaan van een intermediaire status te dulden van onderdanen van derde landen die zich zonder verblijfsrecht of verblijfstitel op het grondgebied van een lidstaat bevinden en aan wie, in voorkomend geval, een inreisverbod is opgelegd, maar ten aanzien van wie geen geldig terugkeerbesluit meer bestaat.58 Bovenstaande overwegingen gelden ook voor onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en net als BZ niet kunnen worden verwijderd, aangezien het beginsel van non-refoulement zich daartegen verzet.59 Zoals de advocaat-generaal in punt 87 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 immers dat deze omstandigheid niet rechtvaardigt dat ten aanzien van een onderdaan van een derde land in een dergelijke situatie geen terugkeerbesluit wordt vastgesteld, maar enkel dat zijn verwijdering ter uitvoering van dat besluit wordt uitgesteld.(…)”.