ECLI:NL:RVS:2020:1543
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A. ten Veen
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering VOG wegens verkeersdelicten en belangenafweging
De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van [wederpartij], eigenaar van een transportonderneming, af vanwege meerdere verkeersovertredingen binnen de terugkijktermijn van vijf jaar. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en bepaalde dat de minister de VOG moest verstrekken. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste, omdat [wederpartij] meerdere verkeersovertredingen had begaan, waaronder een forse snelheidsovertreding met een voorwaardelijke rijontzegging en proeftijd. De minister mocht het risico voor de samenleving als groot inschatten, mede vanwege de korte tijd tussen de overtredingen en de aanvraag van de VOG.
Hoewel de belangen van [wederpartij], zoals zijn rol als kostwinner en investeringen in zijn onderneming, meewegen, is de Afdeling van oordeel dat de belangenafweging van de minister niet onredelijk was. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister tot weigering van de VOG in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.