ECLI:NL:RVS:2020:1563
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris
Een vreemdeling van Nieuw-Zeelandse nationaliteit werd op 2 juni 2019 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd nadat hem de toegang tot Nederland was geweigerd en hij niet was teruggekeerd naar Caïro, maar een vlucht naar het Verenigd Koninkrijk had geboekt. De rechtbank oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat de staatssecretaris onvoldoende had meegewerkt aan het vertrek naar het Verenigd Koninkrijk. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de maatregel rechtmatig was omdat aan de voorwaarden van artikel 6 Vw Pro 2000 was voldaan en dat hij voldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting naar Egypte.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de maatregel terecht was opgelegd aangezien de vreemdeling de toegang tot het Schengengebied was geweigerd en er zicht was op verwijdering naar Egypte. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris had moeten motiveren waarom niet voor verwijdering naar het Verenigd Koninkrijk was gekozen en dat hij de vreemdeling had moeten ondersteunen bij dat vertrek. De Raad stelde dat de wijze van verwijdering niet aan rechterlijke toetsing onderhevig is en dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting naar Egypte.
De vlucht naar Egypte werd uiteindelijk uitgevoerd op 4 juli 2019, waarna de vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel was rechtmatig en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.