ECLI:NL:RVS:2020:1615

Raad van State

Datum uitspraak
9 juli 2020
Publicatiedatum
10 juli 2020
Zaaknummer
202003796/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 72 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdelingen aan Frankrijk

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 18 maart 2020 besloten om aanvragen van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen hun feitelijke uitzetting en verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. Vervolgens werd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat de vreemdelingen op 10 juli 2020 zouden worden overgedragen aan Frankrijk.

De voorzieningenrechter oordeelde dat hij exclusief bevoegd was om het verzoek te behandelen, gelet op eerdere jurisprudentie. Omdat de staatssecretaris zich niet verzette tegen het verzoek, werd de voorlopige voorziening toegewezen. Hierdoor wordt de overdracht van de vreemdelingen aan Frankrijk opgeschort totdat het hoger beroep is beslist.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, vastgesteld op €525,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De overdracht van de vreemdelingen aan Frankrijk wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202003796/2/V3.
Datum uitspraak: 9 juli 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 juli 2020 in zaken nrs. NL20.7058 en NL20.7060 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 maart 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 9 juli 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
De vreemdelingen hebben krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen hun feitelijke uitzetting en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep openstond tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2020 in de procedure over de besluiten van 18 maart 2020. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, bij uitsluiting bevoegd om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open.
2.    Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen op 10 juli 2020 om 09:40 uur worden overgedragen aan Frankrijk.
3.    Omdat de staatssecretaris zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vreemdeling, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
4.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden overgedragen totdat op het hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Wissels    w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2020
373.