ECLI:NL:RVS:2020:1629
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Weigering Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur na meerdere justitiële feiten
De minister voor Rechtsbescherming weigerde op 10 januari 2020 de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van appellant, werkzaam als taxichauffeur, vanwege diverse justitiële feiten binnen de terugkijktermijn van vijf jaar. Deze feiten betroffen onder meer veroordelingen en strafbeschikkingen voor rijden zonder geldig rijbewijs, overschrijding van de maximumsnelheid, onverzekerd rijden en het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning.
Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen de weigering, waarbij hij onder meer aanvoerde dat enkele feiten waren geseponeerd en dat alleen onherroepelijke feiten in aanmerking mochten worden genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de minister terecht het objectieve criterium heeft toegepast, waarbij ook enkele verdenkingen en sepots meewegen, omdat het bestuursrechtelijk instrument een preventief doel dient. Het subjectieve criterium gaf geen aanleiding tot afgifte van de VOG, mede vanwege de hoeveelheid antecedenten en het korte tijdsverloop sinds de laatste justitiële confrontatie. Appellant kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan een hernieuwde toekenning van de VOG.
De Afdeling wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde appellant niet tot proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de minister een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de afgifte van een VOG, zeker bij functies met een verhoogd veiligheidsrisico zoals taxichauffeurs.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege meerdere justitiële feiten binnen vijf jaar.