ECLI:NL:RVS:2020:1681
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring van geschiktheid rijbewijs categorie A bij amputatie linkerbeen
Appellant, die zijn linkerbeen in 1966 verloor, verzocht het CBR om een verklaring van geschiktheid voor het besturen van een tweewielige motorfiets met een Feetless Bike System (FBS). Het CBR weigerde deze verklaring omdat het FBS niet volledig compenseert voor het ontbreken van het been, wat essentieel is voor de veiligheid bij balansvoertuigen. De rechtbank oordeelde dat het CBR redelijk handelde door geen rijtest aan te bieden en het belang van verkeersveiligheid zwaarder te laten wegen dan het individuele belang van appellant.
Appellant voerde aan dat de interne Handleiding van het CBR onvoldoende rekening houdt met technische vooruitgang en dat hij op grond van Europese richtlijnen en nationale regelgeving recht heeft op een rijtest. Ook stelde hij dat het FBS voldoende stabiliteit biedt en dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat in andere EU-landen wel rijbewijzen worden verstrekt met FBS. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze argumenten en bevestigde dat het CBR de Handleiding als vaste gedragslijn mag hanteren mits gemotiveerd, dat het FBS niet voldoet als volledige compensatie, en dat strengere nationale eisen zijn toegestaan.
De Afdeling oordeelde verder dat het CBR terecht afzag van een rijtest omdat het technische onderzoek op 22 juni 2017 aantoonde dat het FBS niet aan de fysieke basiseisen voldoet. De Europese richtlijnen bieden minimumnormen, maar lidstaten mogen strengere eisen stellen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat verschillen tussen lidstaten voortvloeien uit het harmonisatieniveau van de richtlijnen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het CBR om een verklaring van geschiktheid voor rijbewijs categorie A te verstrekken wordt bevestigd.