ECLI:NL:RVS:2023:1024
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperkte rijgeschiktheidstermijn bij obstructief slaapapnoesyndroom
De zaak betreft een hoger beroep van een appellant tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om hem vanwege obstructief slaapapnoesyndroom (OSAS) slechts voor drie jaar rijgeschikt te verklaren voor de rijbewijscategorieën B, BE en T. Het CBR handhaafde dit besluit na bezwaar, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De appellant betoogde dat het CBR onterecht een beperkte termijn heeft vastgesteld en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat anderen met OSAS die niet bekend zijn bij het CBR of Belgische ingezetenen met OSAS wel een termijn van tien jaar krijgen. Ook voerde hij aan dat de informatie over zijn OSAS onrechtmatig bij het CBR is gekomen en dat het CBR tijdens de zitting bij de rechtbank ontbrak, waardoor zijn rechtsgang werd geschaad.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het CBR op grond van de Regeling eisen geschiktheid 2000 en Europese richtlijnen bevoegd is om een beperkte geldigheidsduur van drie jaar vast te stellen bij adequaat behandelde OSAS. Er is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat niet alle gevallen van OSAS bekend zijn bij het CBR en de Nederlandse wetgeving geldt voor Nederlandse ingezetenen. De informatie over OSAS is niet onrechtmatig verkregen, en het ontbreken van het CBR bij de rechtbankzitting heeft de uitkomst niet beïnvloed.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt, omdat de driejaarlijkse keuring noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid en het CBR dit in overeenstemming met Europese regelgeving toepast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperkte rijgeschiktheidstermijn van drie jaar bevestigd.