ECLI:NL:RVS:2020:1712
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 augustus 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 30 april 2020 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat de vreemdeling niet uitgezet mag worden zolang het hoger beroep loopt en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen. Dit is conform eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die volledig toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.J.C. de Moor-van Vugt, waarbij de griffier M.E. van Laar aanwezig was. De uitspraak is op 20 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.