ECLI:NL:RVS:2020:1715
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling uit Mongolië had sinds januari 2017 verblijfsrecht op grond van aangifte mensenhandel. Na een besluit van het Openbaar Ministerie om geen strafrechtelijke vervolging in te stellen, trok de staatssecretaris met terugwerkende kracht de verblijfsvergunningen van de vreemdeling en haar minderjarige zoon in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, hoewel zij erkende dat de staatssecretaris ten onrechte geen inmenging in het recht op privéleven had aangenomen.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdelingen niet in hun belangen zijn geschaad door het ontbreken van een erkenning van inmenging. De intrekking van een verblijfsvergunning na rechtmatig verblijf betekent per definitie inmenging in het privéleven, waarop artikel 8 EVRM Pro van toepassing is. De staatssecretaris had moeten beoordelen of deze inmenging gerechtvaardigd is en een zorgvuldige belangenafweging moeten maken, waarbij een 'fair balance' moest worden gevonden tussen het individuele belang en het algemeen belang van restrictief toelatingsbeleid.
Omdat de staatssecretaris deze beoordeling niet heeft gemaakt en het bezwaar onzorgvuldig en ondeugdelijk heeft gemotiveerd, vernietigt de Raad van State het besluit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt opgedragen de vreemdeling te horen en opnieuw te beslissen met inachtneming van artikel 8 EVRM Pro. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunningen wordt vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van artikel 8 EVRM.