ECLI:NL:RVS:2020:1805
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraken rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf Eritrese vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 augustus 2017 aanvragen af van drie Eritrese vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat door de staatssecretaris op 14 september 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag vernietigde op 5 november 2019 deze besluiten en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zijn beoordelingslijn correct had toegepast, in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019 (E. tegen Nederland). De Raad stelde vast dat vreemdeling 1 haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de staatssecretaris niet aan bewijsnood had voldaan.
Ook oordeelde de Raad dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat het horen van vreemdeling 1 vereist was, terwijl op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond over het niet slagen van het bezwaar. Voor vreemdelingen 2 en 3, de minderjarige halfbroer en -zus van referent, vernietigde de Raad eveneens de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraken van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.