ECLI:NL:RVS:2020:1853
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na ongegrondverklaring verblijfsrecht vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beëindigde bij besluit van 23 oktober 2018 het verblijfsrecht van de vreemdeling en verklaarde hem ongewenst. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 13 juni 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 maart 2020 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep klaagde hij onder meer dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank het besluit op bezwaar ondanks gebrekkige motivering terecht in stand liet, maar dat de rechtbank de staatssecretaris wel had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze de proceskostenvergoeding niet had toegewezen, bevestigde het vonnis voor het overige en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van €1575 aan proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van €1575 aan proceskosten aan de vreemdeling.