ECLI:NL:RVS:2020:1902

Raad van State

Datum uitspraak
12 augustus 2020
Publicatiedatum
11 augustus 2020
Zaaknummer
202000674/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft een derde aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 20 december 2019. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt ambtshalve dat de vreemdeling eerder een tweede asielaanvraag had gedaan die buiten behandeling was gesteld. De rechtbank had dit besluit bevestigd, maar de Raad van State heeft dit besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard. Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen over de tweede aanvraag, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden.

Omdat de vreemdeling hierdoor geen belang heeft bij een uitspraak over het hoger beroep tegen de derde aanvraag, verklaart de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 augustus 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn derde asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

202000674/1/V2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2020 in zaak nr. NL19.31780 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
1.1.    De vreemdeling heeft eerder een tweede aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft de staatssecretaris deze asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Het daartegen gerichte beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 23 september 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:1896, heeft de Afdeling het hoger beroep daartegen gegrond verklaard en de uitspraak van 23 september 2019 en het besluit van 27 augustus 2019 vernietigd.
Op 29 januari 2020 heeft de vreemdeling een derde asielaanvraag ingediend. Deze uitspraak heeft betrekking op de derde asielprocedure.
1.2.    Als gevolg van de al genoemde uitspraak van vandaag moet de staatssecretaris een nieuw besluit nemen op de tweede asielaanvraag van de vreemdeling. Daarbij moet hij uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3455 en 31 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2859, heeft de vreemdeling daarom geen belang bij een uitspraak op het voorliggende hoger beroep.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Wolff
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020
942.