ECLI:NL:RVS:2020:1999
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
Op 1 november 2016 diende appellant namens zijn dochter een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, omdat zij slachtoffer zou zijn van stelselmatig huiselijk geweld, mishandelingen en zedenmisdrijven met fysiek en psychisch letsel als gevolg. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, mede omdat geen aangifte was gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek had plaatsgevonden.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de CSG in redelijkheid tot haar besluit kon komen, omdat er geen objectieve aanwijzingen waren die de verklaringen van appellant ondersteunden. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel voldoende aanwijzingen waren, onder meer vanwege de ernstige ruzies tussen ouders, ontheffing van gezag en medische informatie die psychische schade duidt.
De Raad van State overwoog dat het aan de aanvrager is om met objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Medische informatie ondersteunt dit slechts beperkt en de enkele verklaring van appellant volstaat niet. De door CSG opgevraagde informatie van betrokken instanties gaf geen objectieve aanwijzingen voor het geweldsmisdrijf. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven is bevestigd.