ECLI:NL:RVS:2020:2000
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
Appellant diende op 16 november 2016 een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, stellende slachtoffer te zijn van stelselmatig huiselijk geweld met fysiek en psychisch letsel als gevolg. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens gebrek aan aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, zoals vereist in artikel 3 van Pro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
De rechtbank bevestigde deze afwijzing omdat appellant geen aangifte had gedaan en er geen objectieve aanwijzingen in het dossier waren die het geweldsmisdrijf aannemelijk maakten. Appellant stelde dat medische informatie en het gezagsontheffingsbesluit van zijn moeder wel degelijk objectieve aanwijzingen vormden, maar de rechtbank en de Raad van State oordeelden dat deze informatie onvoldoende was om het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken.
De Raad van State benadrukte dat volgens het beleid van de CSG een geweldsmisdrijf niet bewezen hoeft te worden, maar wel aannemelijk gemaakt met objectieve aanwijzingen, die niet alleen uit de verklaring van het slachtoffer mogen bestaan. Medische informatie ondersteunt doorgaans slechts in beperkte mate. Omdat appellant niet voldeed aan deze bewijsstandaard, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag uit het Schadefonds wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen voor een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.