ECLI:NL:RVS:2020:2029
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huurtoeslag en medebewoning bij onjuiste inschrijving in BRP
Appellante huurt een woning in Ermelo en ontving huurtoeslag over 2017. De Belastingdienst/Toeslagen rekende het inkomen van haar zoon mee bij de vaststelling van de toeslag, omdat hij volgens de Basisregistratie Personen (BRP) tot 16 november 2017 bij haar stond ingeschreven. Appellante stelde dat haar zoon sinds 2010 feitelijk bij zijn vader in Putten woonde en overlegde diverse stukken ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende objectief bewijs vormden om de inschrijving in de BRP als onjuist aan te merken. De Belastingdienst/Toeslagen had het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het inkomen van de zoon vanaf 1 september 2017 niet meer meegerekend. Appellante ging in hoger beroep tegen het oordeel dat zij niet aan haar bewijslast had voldaan.
De Raad voor de Rechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank. De overgelegde verklaringen van familieleden en de rittenadministratie van het bedrijf van de zoon boden onvoldoende controleerbaar bewijs dat de zoon in de relevante periode niet bij appellante woonde. De inschrijving in de BRP bleef daarom het uitgangspunt en het inkomen van de zoon mocht worden betrokken bij de huurtoeslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.