ECLI:NL:RVS:2020:21
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatie wegens gevaar voor openbare orde na taakstraf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Ten tijde van het besluit stond een strafzaak tegen appellant open en later werd hij veroordeeld tot een taakstraf.
Appellant voerde aan dat de veroordeling voortkwam uit een fataal verkeersongeval zonder misdadig karakter en dat hij sindsdien zijn taakstraf heeft voltooid, hard werkt en zich aan de regels houdt. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn om af te wijken van het beleid dat naturalisatie weigert bij ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak en benadrukte dat de veroordeling en taakstraf, evenals het bestaan van ernstige vermoedens ten tijde van het verzoek, rechtvaardigen dat naturalisatie wordt geweigerd. Persoonlijke verbeteringen en het ontbreken van recidive zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijken van het beleid rechtvaardigen.
De Afdeling wees ook op de jurisprudentie en beleidsregels die terughoudendheid voorschrijven bij het afwijken van de weigering op grond van artikel 9 RWN Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om naturalisatie wordt bevestigd.