ECLI:NL:RVS:2020:2137
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en niet-ontvankelijkheid hoger beroep vreemdeling in vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 6 april 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 23 juli 2020 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de behandeling van het hoger beroep werd ambtshalve overwogen dat het doel van het beroep feitelijk was bereikt doordat de bewaring op de dag van de zitting was opgeheven en de vreemdeling een volledige schadevergoeding had ontvangen. Hierdoor ontbrak het belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, zodat het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard door de rechtbank.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris de vreemdeling tegemoet was gekomen door de bewaring op te heffen en schadevergoeding aan te bieden. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €1.575,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.