ECLI:NL:RVS:2020:2215
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 5 augustus 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 8 september 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd. Daarnaast werden de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling afgewogen, waarbij werd geconcludeerd dat geen aanleiding bestond om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om niet uitgezet te worden en om opvang en verstrekkingen te ontvangen werd daarom afgewezen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 september 2020 door voorzieningenrechter C.C.W. Lange in aanwezigheid van griffier M.E. van Laar.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt afgewezen.