ECLI:NL:RVS:2020:2264
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake terugkeerbesluit vreemdeling wegens verdenking witwassen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 4 juli 2018 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit op 4 oktober 2018 gedeeltelijk vernietigde en het beroep gegrond verklaarde.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling heeft het hoger beroep behandeld en zich daarbij gebaseerd op het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2019:1071). Uit dit arrest volgt dat een verdenking van het plegen van een strafbaar feit in beginsel voldoende is om het verblijf in de vrije termijn te beëindigen, zonder dat een daadwerkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de samenleving vereist is.
In deze zaak was de vreemdeling op heterdaad aangehouden als verdachte van witwassen en in voorlopige hechtenis gesteld. De Afdeling oordeelde dat er objectieve en nauwkeurige elementen waren die de verdenking rechtvaardigden en dat het strafbare feit voldoende ernstig was om het verblijf onmiddellijk te beëindigen. De grief van de staatssecretaris slaagde, het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.