ECLI:NL:RVS:2020:2267
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende motivering verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 23 januari 2017 een terugkeerbesluit uit waarin de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht stelde dat een verdenking van een strafbaar feit voldoende is om het verblijf in de vrije termijn te beëindigen, conform het arrest E.P. De Afdeling stelde echter vast dat het terugkeerbesluit niet duidelijk maakte op welke gronden het verblijf van de vreemdeling als onrechtmatig werd beschouwd, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting, omdat de staatssecretaris alsnog voldoende had gemotiveerd dat het verblijf was geëindigd wegens een bedreiging voor de openbare orde. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding voor het verkeerd toegepaste terugkeerbesluit met betrekking tot het vliegticket naar het Verenigd Koninkrijk, maar niet voor het ticket naar Israël. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de staatssecretaris moet schadevergoeding en proceskosten betalen.