ECLI:NL:RVS:2020:2324
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Belastingdienst over terugvordering kinderopvangtoeslag ondanks bijzondere omstandigheden
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om het voorschot kinderopvangtoeslag over de periode van 1 januari 2017 tot en met 8 oktober 2017 vast te stellen op een lager bedrag en de terugvordering van teveel ontvangen toeslag.
Appellant voerde aan dat zij feitelijk alleenstaande moeder was in die periode, omdat haar echtgenoot in Marokko verbleef en pas later naar Nederland kwam en werkte. Zij stelde dat de terugvordering een zware financiële last vormt en onrechtvaardig is omdat de overheid werkende ouders stimuleert.
De Raad van State oordeelt dat op grond van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang, een ouder met een partner alleen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als de partner in Nederland, een andere EU-lidstaat of Zwitserland woont en daar werkt. Omdat de partner van appellant tot 24 augustus 2017 in Marokko woonde, is niet voldaan aan deze voorwaarden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat geen uitzonderingen mogelijk zijn op deze wettelijke voorwaarden en dat de terugvordering terecht is opgelegd. Hoewel bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot matiging van terugvordering, zijn de door appellant aangevoerde omstandigheden niet van dien aard. Zij kan wel een betalingsregeling aanvragen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering kinderopvangtoeslag bevestigd.