ECLI:NL:RVS:2020:2346
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 27 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 juli 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien de omstandigheden en eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) is besloten dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.J. Borman, waarbij griffier J.W. Prins aanwezig was. De voorzieningenrechter was verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De beslissing is genomen op 6 oktober 2020 en betreft een voorlopige voorziening in het bestuursrecht, specifiek het vreemdelingenrecht.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.