ECLI:NL:RVS:2020:2350
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inreisverbod en vertrektermijn vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 21 september 2015 een besluit uit waarin een vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat, op grond van het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een verdenking van het plegen van een strafbaar feit voldoende is om het verblijf van een vreemdeling te beëindigen. De vreemdeling was veroordeeld voor het gebruik van een vals reisdocument, een ernstig strafbaar feit dat rechtvaardigt dat het verblijf onmiddellijk wordt beëindigd.
Verder oordeelde de Raad dat de staatssecretaris terecht de vertrektermijn aan de vreemdeling had onthouden omdat er een risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordeling. Het beroep van de vreemdeling faalde daarom. Het beroep tegen het inreisverbod werd niet meer behandeld omdat de staatssecretaris dit niet langer handhaafde.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.