ECLI:NL:RVS:2020:2351
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en vertrektermijn vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 11 september 2015 een besluit uit waarin de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 mei 2016 het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht aannam dat het verblijf van de vreemdeling was geëindigd op grond van verdenking van het plegen van een strafbaar feit, namelijk het gebruik van een vals of vervalst reisdocument. Dit rechtvaardigt het onmiddellijk beëindigen van het verblijf en het opleggen van een inreisverbod. De rechtbank had dit onterecht niet zo beoordeeld.
Verder verwierp de Afdeling het betoog van de vreemdeling dat ten onrechte een vertrektermijn was onthouden, omdat het risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De staatssecretaris had dit voldoende gemotiveerd op basis van de omstandigheden en verklaringen van de vreemdeling.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.