ECLI:NL:RVS:2020:2355
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende motivering verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 30 augustus 2016 een terugkeerbesluit uit tegen een vreemdeling, waarbij zij werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de verdenking van een strafbaar feit, namelijk het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep, voldoende was om het verblijf van de vreemdeling als beëindigd te beschouwen volgens de Schengengrenscode. De vreemdeling was op heterdaad aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld. Hoewel de vervolging later werd geseponeerd, deed dit niet af aan de objectieve elementen die de verdenking onderbouwden.
De Afdeling stelde echter vast dat het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd was met betrekking tot het onrechtmatig verblijf van de vreemdeling, aangezien niet duidelijk was gemaakt dat het verblijf in de vrije termijn was geëindigd. Dit was een gegrond bezwaar van de vreemdeling. Andere beroepsgronden, zoals het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod in relatie tot artikel 8 EVRM Pro, faalden.
De Afdeling vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand ter definitieve geschilbeslechting. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.