ECLI:NL:RVS:2020:2371
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woning Amsterdam wegens onvoldoende medische urgentie
Appellant, sinds 2005 woonachtig in Nederland zonder eigen woning, heeft een urgentieverklaring aangevraagd om een zelfstandige woonruimte te verkrijgen in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders wees dit verzoek af op basis van het advies van de GGD en het vaste beleid dat alleen bij zeer ernstige medische redenen urgentie wordt toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Zij stelde dat haar fysieke klachten, waaronder een versleten rug, vocht in de knie en hoge bloeddruk, een eigen woning noodzakelijk maken. Zij overhandigde een brief van haar huisarts ter onderbouwing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het GGD-advies, waarin lichte interne afwijkingen en beperkte traploopmogelijkheden worden vastgesteld zonder medische contra-indicaties voor alternatieve woonvormen, als voldoende en begrijpelijk moet worden beschouwd. De brief van de huisarts bevat geen wezenlijk nieuwe informatie. Stressvermindering en het samenwonen met haar zoons zijn onvoldoende gronden voor urgentie.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.