ECLI:NL:RVS:2020:2420
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bevriezing tegoeden wegens betrokkenheid bij terroristische organisatie DHKP/C
De minister van Buitenlandse Zaken heeft appellant aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II van toepassing is vanwege zijn vermeende leidinggevende rol binnen de terroristische organisatie Devrimci Halk Kurtuluş-Cephesi (DHKP/C), fondsenwerving voor deze organisatie en verspreiding van het tijdschrift ‘Yürüyüs’. Dit leidde tot bevriezing van al zijn financiële middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij onder meer oordeelde dat de minister geen nader onderzoek hoefde te doen naar de bronnen van de AIVD en dat de bevriezingsmaatregel proportioneel was. Appellant stelde in hoger beroep dat de minister onvoldoende concreet had gemotiveerd waarom hij werd aangemerkt als leidinggevend lid en dat de fondsenwerving niet als facilitering van terrorisme kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom appellant een leidinggevende functie binnen DHKP/C vervult en onvoldoende inzicht heeft gegeven in de onderbouwing van de fondsenwerving. De rechtbank had dit niet onderkend. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 5 april 2018 vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot bevriezing van de tegoeden van appellant wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de minister moet een nieuw besluit nemen.