ECLI:NL:RVS:2020:243
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring bij vijfde asielaanvraag ondanks niet-ontvankelijkheid
De vreemdeling diende op 29 maart 2019 zijn vijfde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het een derde of latere aanvraag betrof na een definitieve afwijzing van een eerdere aanvraag als kennelijk ongegrond.
Tegelijkertijd werd de vreemdeling op 9 mei 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond betreffende het afwachten van de rechtsmiddelentermijn bij de bewaring had betrokken, omdat dit een inhoudelijke beoordeling van de asielprocedure betreft die niet door de bestuursrechter kan worden gemaakt. Desondanks oordeelde de Afdeling dat de bewaring op juiste wettelijke gronden was gebaseerd, omdat de vreemdeling op het moment van bewaring geen rechtmatig verblijf had.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met een verbetering van de gronden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.