ECLI:NL:RVS:2020:2455
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens bijzondere omstandigheden
De vreemdeling uit Syrië diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De vreemdeling stelde dat zij in Nederland moest blijven vanwege de zorg voor haar ernstig zieke zus.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een samenspel van bijzondere en specifieke omstandigheden die het onevenredig hard maakten om de vreemdeling over te dragen aan Frankrijk. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met het argument dat de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel had gegeven over het gebruik van de bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en overweegt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken. Daarbij is meegewogen dat de zus van de vreemdeling zeer ernstig ziek is en dat de korte scheidingstermijn en verklaringen van betrokkenen onvoldoende zijn meegewogen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00. De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij het toepassen van de Dublinverordening in bijzondere individuele gevallen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.