ECLI:NL:RVS:2020:2470
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag voorrangsverklaring woningzoekende in Den Haag
Appellante heeft op 25 juni 2018 een voorrangsverklaring aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vanwege discriminatie door haar buurman, hoge huurkosten en haar wens mantelzorg te verlenen aan haar vader in Engeland. Het college wees de aanvraag op 23 augustus 2018 af en handhaafde deze afwijzing op 31 januari 2019, gebaseerd op artikel 29, eerste lid, onder f en g van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het college haar situatie onvoldoende serieus nam en dat zij vanwege discriminatie en huurproblemen dringend een voorrangsverklaring nodig had. De Raad van State oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat appellante met haar inschrijfduur van ruim vier jaar binnen drie maanden een passende woning kan verkrijgen en dat haar inkomen toereikend is om via de particuliere markt een woning te vinden.
De wens om mantelzorg te verlenen aan haar vader in Engeland kan geen grond zijn voor een voorrangsverklaring, omdat haar vader geen ingezetene is van de gemeente Den Haag. Ook haar persoonlijke ervaringen met discriminatie en de huurverhoging zijn onvoldoende om de afwijzing te herzien. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring bevestigd.