ECLI:NL:RVS:2020:2471
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huisverbod wegens ernstig en onmiddellijk gevaar voor partner en kinderen
De burgemeester van Rotterdam legde op 2 april 2019 een huisverbod van tien dagen op aan appellant naar aanleiding van een geweldsincident op 1 april 2019 waarbij zijn partner en kinderen betrokken waren. Dit huisverbod werd op 11 april 2019 met achttien dagen verlengd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onschuldig was, dat de verklaringen van zijn partner en kinderen onbetrouwbaar waren, en dat het huisverbod disproportioneel was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het opleggen van een huisverbod een ingrijpende maatregel is die slechts kan worden toegepast bij een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen. Uit het proces-verbaal bleek dat de partner van appellant licht letsel had en dat appellant onder invloed van alcohol was. Diverse risico-taxaties adviseerden het huisverbod. De verklaringen van partner en kinderen werden als aannemelijk beschouwd ondanks het betoog van appellant over hun emotionele toestand.
De Raad van State oordeelde dat het huisverbod een proportionele en noodzakelijke maatregel was om escalatie te voorkomen en hulp te bieden. De onschuldpresumptie stond niet in de weg omdat het huisverbod een bestuurlijke maatregel is die ook kan worden opgelegd zonder strafrechtelijke veroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het huisverbod tegen appellant wordt bevestigd als noodzakelijk en proportioneel.