ECLI:NL:RVS:2020:248

Raad van State

Datum uitspraak
24 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
201904880/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijvenArtikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende stelselmatig huiselijk geweld

Bij afzonderlijke besluiten van 16 februari 2018 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvragen van appellante, namens haar vier kinderen, om een uitkering uit het schadefonds afgewezen. De bezwaren tegen deze besluiten werden bij besluiten van 6 juli 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde de daarop ingestelde beroepen eveneens ongegrond bij uitspraak van 21 mei 2019.

Appellante stelde dat haar kinderen recht hadden op een uitkering omdat zij getuigen waren geweest van stelselmatig huiselijk geweld. Volgens de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven kan een uitkering worden toegekend aan kinderen die stelselmatig huiselijk geweld waarnemen, dat wil zeggen frequent en langdurig fysiek geweld of dreiging daarmee in de relationele sfeer.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het huiselijk geweld niet stelselmatig was en niet stelselmatig door de kinderen is waargenomen. Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming met meldingen van huiselijke twisten en geweld was onvoldoende concreet en deels na de besluiten gedaan, waardoor dit geen grond voor vernietiging vormde.

De Afdeling bevestigt daarmee de eerdere afwijzingen en het oordeel van de rechtbank, waarmee de aanvragen om uitkering uit het schadefonds worden afgewezen.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvragen om uitkering uit het schadefonds wegens onvoldoende stelselmatig huiselijk geweld.

Uitspraak

201904880/1/A2.
Datum uitspraak: 24 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4] (hierna: de kinderen), allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2019 in zaken nrs. 18/6010, 18/6012, 18/6014 en 18/6015 in de gedingen tussen:
[appellante], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen,
en
de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Openbare zitting gehouden op 24 januari 2020 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud    lid van de enkelvoudige kamer
mr. R.J.R. Hazen    griffier
Verschenen:
de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.S.R. Bisessar-Chigharoe.
====================================
Bij afzonderlijke besluiten van 16 februari 2018 heeft de CSG de aanvragen van [appellante], namens de kinderen, om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 6 juli 2018 heeft de CSG de door [appellante] namens de kinderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2019 heeft de rechtbank de door [appellante] namens de kinderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] namens de kinderen hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt zij het volgende.
In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven is bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
Aan de aanvragen is ten grondslag gelegd dat de kinderen getuigen zijn geweest van stelselmatig huiselijk geweld. Volgens het toepasselijke beleid van paragraaf 1.2.4 van de Beleidsbundel Schadefonds Geweldmisdrijven (hierna: de Beleidsbundel) van 1 mei 2018 is sprake van stelselmatig huiselijk geweld als in de relationele sfeer frequent en langdurig fysiek geweld is gebruikt of met geweld is gedreigd. Uit paragraaf 1.2.6.3 van de Beleidsbundel volgt dat de CSG een uitkering uit het schadefonds kan toekennen aan kinderen die huiselijk geweld stelselmatig waarnemen.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de CSG de aanvragen terecht heeft afgewezen. De Afdeling onderschrijft dat oordeel. De CSG heeft zich, mede gezien de processen-verbaal van aangifte, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het huiselijk geweld niet stelselmatig is geweest en niet stelselmatig door de kinderen is waargenomen. Dat, zoals [appellante] stelt, op bladzijde 4 van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 mei 2019 is vermeld dat er in de afgelopen twee jaar zeven zorgmeldingen zijn geweest in verband met huiselijke twisten en huiselijk geweld, waarvan de kinderen getuigen zijn geweest, doet daaraan niet af. Niet duidelijk is immers wanneer die meldingen zijn gedaan - meldingen na het nemen van de besluiten van 6 juli 2018 kunnen geen grond voor vernietiging van deze besluiten opleveren - en of die meldingen (mede) betrekking hadden op huiselijk geweld en niet slechts op ruzies. Aan het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 mei 2019 komt derhalve niet de betekenis toe die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien.
w.g. Minderhoud    w.g. Hazen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
452.